
Begin maart 2026 werden in het Belgisch Staatsblad nog enkele aanvullingen gepubliceerd in de wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken 2026.
Zoals al bekend, moet een werkgever vanaf 8 weken arbeidsongeschiktheid het “arbeidspotentieel” van de werknemer laten inschatten. Dat gebeurt door de arbeidsarts of het verpleegkundig personeel volgens een vaste procedure. Hoewel het begrip “arbeidspotentieel” al in de regelgeving voorkwam, bestond er nog geen duidelijke definitie. Via de wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken 2026 wordt dit nu wel vastgelegd in de ziekteverzekeringswet. Arbeidspotentieel betekent: het vermogen van een erkend arbeidsongeschikte persoon om, rekening houdend met zijn gezondheid, passend werk te verrichten. Daarbij wordt zowel gekeken naar wat iemand nu kan, als naar de mogelijkheden in de toekomst.
Op basis van deze inschatting kan voortaan ook de adviserend arts van het ziekenfonds, of een medewerker van het multidisciplinair team, in overleg met de betrokkene, rechtstreeks doorverwijzen naar de preventieadviseur-arbeidsarts of de arbeidsbemiddelingsdienst. Zo kan de werknemer sneller de juiste begeleiding krijgen en ondersteund worden bij het vinden van werk dat aansluit bij zijn mogelijkheden en noden.
Als een terugkeer naar de eigen werkgever niet meer mogelijk of wenselijk is en het re-integratietraject is afgerond, kan ook de preventieadviseur-arbeidsarts de werknemer rechtstreeks doorverwijzen naar de arbeidsbemiddelingsdienst.
Aanvankelijk was bepaald dat personen met voldoende arbeidspotentieel, maar zonder arbeidsovereenkomst, zich binnen 14 dagen na doorverwijzing moesten inschrijven bij de bevoegde regionale arbeidsbemiddelingsdienst. Wie dat niet deed, moest een fysiek contact hebben met de adviserend arts of een medewerker van het multidisciplinair team om de arbeidsongeschiktheid opnieuw te evalueren.
Omdat zo’n fysiek contact weinig meerwaarde bleek te hebben, zeker omdat er vaak recent al contact was geweest, is deze sanctie aangepast. Voortaan leidt het niet naleven van de inschrijvingsverplichting tot een vermindering van 10% van het dagbedrag van de uitkering.
De wijzigingen hebben uitwerking vanaf 1 januari 2026.
Op invaliditeitsuitkeringen wordt een herwaarderingscoëfficiënt toegepast. Meer bepaald is een structurele herwaardering van deze uitkeringen voorzien na 5 jaar arbeidsongeschiktheid en opnieuw na 15 jaar arbeidsongeschiktheid. De wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken 2026 schorst de herwaardering voor de jaren 2026 tot en met 2029.
Om werkgevers die geen kmo (minder dan 50 werknemers) zijn, aan te moedigen om meer te investeren in de re-integratie van hun langdurig zieke werknemers tussen 18 en 54 jaar, werd een solidariteitsbijdrage ingevoerd van 30% op de uitkering die wordt betaald tijdens de tweede en derde maand arbeidsongeschiktheid.
In de wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken 2026 werd de uitzondering opgenomen voor personen met een arbeidshandicap, een psychosociale arbeidsbeperking of uiterst kwetsbare personen, tewerkgesteld door een onderneming ressorterend onder paritair comité 327.