
Het risico voor de Belgische bevolking blijft laag, maar via rechtstreekse vluchten uit de regio valt een geïmporteerd geval of contactgeval in Europa niet uit te sluiten. De Risk Management Group (RMG), die op federaal niveau de gezondheidsmaatregelen coördineert, stuurde huisartsen en eerstelijnswerkers daarom een informatiebrief met één heldere vraag: blijf waakzaam bij wie recent in de getroffen gebieden verbleef. Voor arbeidsartsen en preventieadviseurs die werknemers begeleiden die voor hun werk naar die regio reizen, is dat een concrete opdracht.
In de praktijk is er één realistisch scenario waarbij ebola in een Belgische organisatie opduikt: een medewerker die uit een getroffen gebied terugkeert en symptomen ontwikkelt. De procedure voor virale hemorragische koorts, die de gezondheidsautoriteiten in mei 2026 actualiseerden, somt de risicogroepen op. Daartoe behoren reizigers die in Congo of Oeganda contact hadden met zieken, gezondheidswerkers en laboratoriummedewerkers die onbeschermd in contact kwamen met patiënten of stalen, en personen die betrokken waren bij begrafenisrituelen of contact hadden met mogelijk besmette dieren. Voor wie een personeelsbestand opvolgt, vertaalt dat zich naar enkele herkenbare profielen: medewerkers op zakenreis of veldmissie in de regio, personeel van ngo's en defensie, en zorg- en laboratoriumpersoneel.
De risico-inschatting steunt op drie vragen:
Zodra die combinatie een vermoeden oplevert, gaat de eerste reactie over afscherming. De richtlijn voor de eerste lijn is uitdrukkelijk: houd minstens één meter afstand, voer geen interventies uit, neem geen stalen en plaats geen infuus, en zet de persoon in een aparte ruimte of laat die thuis. Daarna belt u onmiddellijk de bevoegde regionale gezondheidsautoriteit. De arts daar beslist over de gevalsclassificatie. Een waarschijnlijk of bevestigd geval wordt opgevangen in een van de twee referentieziekenhuizen, UZ Antwerpen en UMC Sint-Pieter in Brussel. Bloed afnemen of de patiënt op de gebruikelijke manier naar de spoeddienst sturen, is in deze situatie net wat moet worden vermeden.
Naast het waarschijnlijke geval kent de procedure het blootgestelde geval: iemand zonder symptomen die positief antwoordde op een blootstellingscriterium. Die persoon hoeft niet in isolatie, maar wordt wel nauw opgevolgd. Concreet betekent dat de lichaamstemperatuur tweemaal per dag meten, met twaalf uur ertussen, en gedurende 21 dagen na het laatste contact alert blijven voor klachten die op de ziekte wijzen. Hier ligt de specifieke rol van arbeidsgeneeskunde. De procedure bepaalt dat de dagelijkse rapportage van temperatuur en klachten naar de arbeidsarts gaat wanneer de blootstelling op het werk plaatsvond, in plaats van naar de regionale gezondheidsautoriteit. Voor hoogrisicocontacten komen daar werkrestricties bij: zorgpersoneel en medewerkers van kinderdagverblijven hebben tijdens de opvolgingsperiode geen patiënten- of zorgcontacten, omwille van de kwetsbare populatie en de intensieve contacten. Wie niet in de zorg werkt, behoudt normale activiteiten zolang er geen symptomen zijn. De arbeidsarts weegt dat af samen met de bevoegde gezondheidsautoriteit, en de afweging kan per persoon verschillen naargelang het werk.
De kans dat je dit ooit moet toepassen is klein, maar de waarde van een draaiboek zit in de beschikbaarheid op het juiste moment.