
De conferentie bracht vertegenwoordigers van de overheidsdiensten, de sociale partners, preventieadviseurs, inspectiediensten en externe diensten voor preventie en bescherming samen om terug te blikken op drie decennia welzijnsbeleid en vooruit te kijken naar de uitdagingen van morgen.
Tijdens de presentatie van Laurène Thill (KU Leuven, HIVA) werd de evolutie van de arbeidsomstandigheden in België belicht aan de hand van onderzoeksgegevens van de Belgische nationale EWCS-enquêtes van Eurofound. De resultaten schetsen een beeld van de veranderingen in de arbeidsomstandigheden sinds 2010. Uit haar analyse blijkt dat de arbeidsomstandigheden op verschillende vlakken zijn verbeterd. Hoewel bepaalde traditionele risico’s zijn afgenomen, nemen klachten zoals musculoskeletale aandoeningen (MSA) en psychosociale risico’s toe. Tegelijkertijd blijkt uit de cijfers dat er belangrijke verschillen bestaan tussen bijvoorbeeld hoog- en laaggeschoolden, mannen en vrouwen en jongere en oudere werknemers
De onderzoeksgegevens van de Belgische nationale EWCS-enquêtes vormden een belangrijke bron voor de ontwikkeling van de “Datamining”-website van de FOD WASO over beroepsrisico’s en arbeidsomstandigheden.
Dr. Kelly Reyniers (Universiteit Antwerpen) blikte in haar presentatie terug op de totstandkoming en de ontwikkeling van de welzijnswet en lichtte de belangrijkste arbeidsrechtelijke evoluties op het vlak van welzijn op het werk van de voorbije 30 jaar toe. Ook de rol van de verschillende welzijnsactoren kwam aan bod. Ten slotte gaf ze enkele legislatieve opportuniteiten voor de toekomst mee.
Ook de rol van de inspectiediensten kwam aan bod. Pieter Bolle, Adviseur-generaal bij de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk (AD TWW), stond vanuit het perspectief van de controle op de toepassing van de regelgeving stil bij de kansen en uitdagingen waarmee het beleid inzake welzijn op het werk vandaag geconfronteerd wordt. Hij toonde dat ook de inspectiediensten mee evolueren met de tijd, getuige de inzet van drones bij inspecties en het gelauwerde project “Data-driven Inspection”.
Uit de presentaties mocht blijken dat de welzijnswet in de voorbije dertig jaar is geëvolueerd van een voornamelijk beschermend kader naar een geïntegreerde preventiebenadering waarin risicoanalyse, participatie en continue verbetering centraal staan. Je kan hier de presentaties bekijken en downloaden.
De conferentie was ook een moment voor dialoog en uitwisseling tussen alle betrokken welzijnsactoren: de sociale partners die zetelen in de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, maar ook de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk (via de koepelorganisatie COPREV) en de verenigingen van preventieadviseurs Prebes en Arcop.
Het debat werd telkens voorafgegaan door een stelling, die aan de zaal en vervolgens aan de panelleden werd voorgelegd.
Om het debat op gang te trekken, werd eerst stilgestaan bij de belangrijkste verwezenlijkingen van de welzijnswet. Uit de woordwolk, samengesteld op basis van de antwoorden uit de zaal, kwam vooral het belang van een sterke preventiecultuur naar voren. De welzijnswetgeving heeft hiervoor een duidelijk kader gecreëerd.
De antwoorden wezen voornamelijk op de groepen die vandaag nog onvoldoende door de welzijnswetgeving worden beschermd. Daarbij werd niet alleen verwezen naar zelfstandigen, maar ook naar personen die werken in omstandigheden van schijnzelfstandigheid.
Daarnaast benadrukten de panelleden het belang van werknemersparticipatie in het preventiebeleid en de noodzaak om vooral kleine ondernemingen beter te ondersteunen bij het uitwerken van een degelijk preventiebeleid.
Naar aanleiding van deze vraag wees dr. Elisabeth Pete (Co-Prev) op het blijvende taboe rond psychosociale risico’s. Een risicoanalyse uitvoeren is één zaak, maar in de praktijk blijkt het vaak moeilijk om problemen bespreekbaar te maken en daadwerkelijk aan te pakken. Naast analyse is ook monitoring noodzakelijk om na te gaan of de genomen maatregelen effectief zijn.
Volgens dr. Elisabeth Pete versterken musculoskeletale aandoeningen en psychosociale risico’s elkaar op de werkvloer. Ze bestaan zelden los van elkaar, waardoor een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is om duurzame resultaten te boeken.
Kris Van Eyck (ACV) omschreef de regelgeving als zeer volledig, maar wees erop dat een correcte toepassing tijd vraagt. Opleiding en ondersteuning blijven nodig om mensen gedurende hun hele loopbaan gezond aan het werk te houden. Hij waarschuwde bovendien voor een evolutie waarbij werknemers zich steeds meer moeten aanpassen aan het werk, in plaats van omgekeerd.
Marc De Wilde (Embuild) waarschuwde dan weer voor het risico van “papieren veiligheid”. Volgens hem is sensibilisering op de werkvloer cruciaal, zeker in de bouwsector. Vaak ontbreekt de nodige kennis nog. Tegelijk bestaan er binnen de sector diverse initiatieven om het werk beter af te stemmen op werknemers, bijvoorbeeld op oudere medewerkers. De zaal was eerder kritisch over de vraag of de huidige regelgeving volstaat. Volgens 20% volstaat de regelgeving niet, volgens 54% volstaat de regelgeving niet voldoende en volgens 16% volstaat ze wel.
Gérald Dombret (ARCoP) stelde dat de structurele omkadering van welzijn en veiligheid de afgelopen decennia aanzienlijk is verbeterd. Toch blijft het creëren van veiligheidsbewustzijn op de werkvloer een belangrijke uitdaging. Sensibilisering alleen volstaat niet: een echte veiligheidscultuur moet ingebakken raken in het dagelijkse handelen van elke werknemer. Opleiding en regelmatige opvolging blijven daarbij essentieel.
Pieter Bolle (Toezicht op het Welzijn op het Werk) onderschreef het belang van sensibilisering, maar stelde zich ook vragen bij de afschrikkende werking van administratieve sancties. In sommige gevallen zijn die doeltreffend, maar soms wegen ondernemingen de kost van preventieve maatregelen af tegen het risico op een eventuele boete.
Volgens Kris Van Eyck blijft bovendien een deel van de arbeidsongevallen onder de radar door onderrapportering. Hij pleitte ervoor om bijzondere aandacht te besteden aan groepen die een verhoogd risico lopen, zoals uitzendkrachten en gedetacheerde werknemers.
Maar liefst 80% van het publiek vond van wel. François Collin (Prebes) wees erop dat de groeiende populariteit van zachte mobiliteit nieuwe uitdagingen met zich meebrengt. De kwaliteit en veiligheid van de weginfrastructuur spelen hierbij een belangrijke rol, terwijl werkgevers slechts beperkt invloed kunnen uitoefenen op dergelijke externe factoren.
Volgens Pieter Bolle kan de werkgever ingrijpen op de zaken waar hij wel impact op heeft. Dit wil zeggen: goed onderhouden voertuigen, up-to-date veiligheidssystemen, opleiding en sensibilisering, waakzaam zijn voor afleiding en een aantal organisatorische maatregelen.
Uit de reacties van het publiek kwamen vooral twee thema’s naar voren: de gevolgen van de klimaatverandering en de impact van artificiële intelligentie (AI). Beide worden gezien als belangrijke uitdagingen waarvoor de welzijnswetgeving in de toekomst antwoorden zal moeten bieden.
Gérald Dombret sloot zich daarbij aan en benadrukte dat ook de psychologische impact van deze evoluties nauwlettend moet worden opgevolgd. Daarnaast wees hij op andere aandachtspunten, zoals schijnzelfstandigheid en de toenemende administratieve belasting voor preventieadviseurs.
Dr. Elisabeth Pete vestigde de aandacht op het risico van sociale isolatie als gevolg van de technologische ontwikkelingen. Volgens haar loopt men op dat vlak vaak achter de feiten aan, omdat de veranderingen elkaar in een hoog tempo opvolgen.
Pieter Bolle onderschreef de aangehaalde risico’s, maar stelde dat de bestaande welzijnswetgeving in principe voldoende handvaten biedt om ermee om te gaan. Wel ziet hij nog ruimte voor verbetering op het vlak van anderstaligheid op de werkvloer.