
Van deze werknemers heeft bijna 2 op de 3 (62,4 procent) het gevoel dat ze zo snel mogelijk moeten reageren.
Op 1 april viert het recht op deconnectie zijn derde verjaardag. Wie werkt binnen een bedrijf met meer dan twintig werknemers, krijgt daarbij het recht om buiten de werkuren geen telefoontjes, e-mails of berichten te beantwoorden, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden.
Uit een recent onderzoek van Protime bij 1.000 Vlaamse bedienden blijkt echter dat veel bedrijven nog worstelen met het vinden van de juiste balans tussen flexibiliteit en bereikbaarheid. Zo’n 6 op de 10 werknemers (60,6 procent) wordt nog buiten de werkuren gecontacteerd door hun leidinggevende. Het gaat dan om berichtjes (62,7 procent), telefoontjes (50 procent), mails (44,7 procent) en chatberichten (15,7 procent). Bijna een derde (31,8 procent) wordt ‘af en toe tot vaak’ gecontacteerd door z’n baas ‘s avonds of in het weekend.
Waarom blijkt het recht op deconnectie in de praktijk toch niet altijd eenvoudig? “We werken vandaag veel flexibeler dan vroeger, waardoor onze werk- en privétijd vaker door elkaar lopen”, zegt Jan Van Autreve, CEO van Protime. “Zo heeft een derde van de Vlaamse bedienden geen vast uurrooster meer. Met werkschema’s die minder overlappen, wordt het voor leidinggevenden moeilijker om te weten wanneer werknemers aan het werk zijn en wanneer niet. Tijdregistratie kan bedrijven helpen om een beter zicht te krijgen in de gewerkte tijd. In combinatie met duidelijke afspraken helpt dit organisaties om hun teams beter te organiseren én om de rustmomenten van werknemers respecteren.”
Toch blijkt uit het onderzoek dat ruim 6 op de 10 werknemers (62,4 procent) zich nog verplicht voelt om zo snel mogelijk op te nemen of berichtjes of mails te beantwoorden. Dat is vaker het geval bij vrouwen (65,1 procent) dan mannen (59,3 procent). In 4 op de 10 gevallen gaat het bovendien om zaken die volgens werknemers echt wel kunnen wachten.
Het deconnectierecht betekent niet dat werknemers geen mails meer mogen ontvangen buiten de werkuren, maar wel dat ze geen nadelige gevolgen mogen ondervinden als ze niet reageren wanneer ze niet aan het werk zijn. “Toch voelen de meeste werknemers zich wel verplicht om meteen te reageren”, zegt Lode Godderis, professor arbeidsgeneeskunde aan de KU Leuven. “Bedrijven doen er goed aan expliciet aan te geven welke verwachtingen ze hebben en duidelijke afspraken te maken met hun werknemers.”
Toch zegt amper 4 op de 10 respondenten (41,1 procent) dat er bij hun organisatie duidelijke richtlijnen bestaan over de bereikbaarheid buiten de werkuren. Bijna evenveel respondenten (42,2 procent) zeggen van niet. De overige 16,7 procent weet niet of er richtlijnen bestaan.
Is het recht op deconnectie dan een goed initiatief? Zeker wel, volgens 85 procent van de respondenten. Voor ruim 1 op de 3 (34,2 procent) heeft het deconnectierecht hun werkstress verlaagd. Meer dan 4 op de 10 respondenten (41,4 procent) staan ook meer op hun strepen wanneer ze buiten de werkuren gecontacteerd worden. Daarnaast ervaart zo’n derde van de respondenten (30,7 procent) dat ze minder vaak gebeld worden. Bij vrouwen loopt dat op tot 33,3 procent (tegenover 27,6 procent bij mannen). Bovendien nam het aantal e-mails en berichtjes na de werktijd af voor respectievelijk 24,5 procent en 25,6 procent van de respondenten.
Professor Lode Godderis wijst nog op een moeilijk evenwicht: “Een duidelijk werkschema kan zeker helpen om effectief te deconnecteren. In de praktijk zie ik hier vaak problemen opduiken omwille van de flexibiliteit die zowel werkgevers als werknemers willen. Flexibiliteit werkt enkel als ze aan beide kanten geldt: je kan niet verwachten dat werkgevers soepel omgaan met telewerk en tussentijdse privéafspraken, terwijl werknemers zich strikt vasthouden aan hun vaste werkuren als van hen flexibiliteit gevraagd wordt. Duidelijke, expliciete verwachtingen van beide kanten zijn essentieel. Alleen zo blijft echte deconnectie mogelijk en vermijd je dat flexibiliteit omslaat in permanente beschikbaarheid.”