.jpg&w=2048&q=75)
Het westnijlvirus circuleert vooral tussen vogels en muggen. Muggen van het geslacht Culex, waaronder de gewone huismug die van nature voorkomt in België, kunnen het virus opnemen wanneer zij een besmette vogel steken. Een besmette mug kan het virus daarna overdragen op andere dieren en op de mens.
Mensen en paarden kunnen ziek worden, maar geven het virus normaal niet verder door aan muggen of aan andere dieren/mensen. Gewoon contact met een besmette collega vormt dus geen risico. Voor de meeste werknemers is een beet van een besmette mug de relevante besmettingsweg. Zeldzame infecties na contact met besmet biologisch materiaal zijn vooral van belang bij specifieke werkzaamheden, zoals laboratoriumwerk of autopsieën.
De meeste mensen die besmet raken, merken daar niets van. Ongeveer 80% ontwikkelt geen klachten. Een kleiner deel krijgt milde klachten, zoals:
Een klein deel van de besmette personen ontwikkelt een ernstige aandoening waarbij het zenuwstelsel wordt aangetast, zoals een hersenontsteking of hersenvliesontsteking. Vooral oudere personen en mensen met een verminderde afweer lopen meer risico op een ernstige vorm. Voor mensen bestaat momenteel geen vaccin tegen het westnijlvirus. Het voorkomen van muggenbeten blijft daarom de belangrijkste bescherming.
Het westnijlvirus is een biologisch agens. De Welzijnswet en boek VII van de codex over het welzijn op het werk verplichten de werkgever om na te gaan of werknemers door hun werk kunnen worden blootgesteld en om passende maatregelen te nemen.
Het virus behoort tot gevaargroep 3: het kan een ernstige ziekte veroorzaken en een groot gevaar voor werknemers opleveren. Die indeling zegt iets over het gevaar van het virus, maar niet automatisch over het risico op een bepaalde arbeidsplaats. Dat risico hangt af van de aard, mate en duur van de blootstelling.
Sommige werknemers werken welbewust met het virus, bijvoorbeeld in een gespecialiseerd laboratorium. Voor de meeste ondernemingen gaat het echter om een mogelijke, onbedoelde blootstelling. Een werknemer kan worden gestoken tijdens buitenwerk, op een bedrijfsterrein, tijdens een verplaatsing of buitenlandse opdracht, maar ook in een kantoor of werkplaats waar muggen binnendringen.
De belangrijkste besmettingsketen is eenvoudig: een besmette vogel is het reservoir, de mug is de vector en de werknemer kan na een beet besmet raken. De werkgever kan de viruscirculatie bij wilde vogels niet beïnvloeden, maar kan wel broedplaatsen op de arbeidsplaats beperken, muggen buitenhouden, het werk passend organiseren en werknemers beschermen tegen beten.
De risicoanalyse bekijkt de concrete werkzaamheden en arbeidsplaatsen. Belangrijke factoren zijn de aard van het werk, het seizoen en tijdstip, de aard, mate en duur van de blootstelling, de aanwezigheid van muggen en stilstaand water, de bescherming van binnenruimtes, beroepsreizen en eventueel contact met besmette dieren of biologisch materiaal.
Ook de epidemiologische situatie is relevant. De werkgever kan hiervoor de actuele informatie van de bevoegde Belgische en gewestelijke instanties en, voor buitenlandse opdrachten, de Europese surveillance raadplegen. Meldingen van besmette dieren of mensen zijn een signaal om de risicoanalyse en de preventiemaatregelen opnieuw te bekijken. Ze moeten altijd samen met de concrete werkomstandigheden worden beoordeeld.
De werkgever betrekt de preventieadviseur en, voor medische aspecten, de preventieadviseur-arbeidsarts. Waar nodig wordt ook rekening gehouden met werknemers die door hun gezondheidstoestand mogelijk ernstiger ziek kunnen worden.
Wetenschappelijke studies noemen onder meer militairen in endemische of epidemische gebieden, landbouwers en veehouders, bos- en groenwerkers, dierenartsen, werknemers die met vogels werken, veldonderzoekers en laboratoriummedewerkers als mogelijk meer blootgestelde groepen.
Deze lijst is niet beperkend. Niet iedereen binnen die beroepen loopt automatisch een hoog risico en zelfs een kantoorwerknemer kan worden gestoken. De concrete werkzaamheden, locatie en blootstelling bepalen het werkelijke risico.
Veel basismaatregelen zijn op bijna elke werkplek mogelijk. Welke maatregelen nodig zijn en hoe ver ze moeten gaan, hangt af van de risicoanalyse. Pak eerst beheersbare broedplaatsen aan en kies daarna technische en organisatorische maatregelen. Vul die waar nodig aan met individuele bescherming.
Beperk beheersbare broedplaatsen:
Houd muggen buiten:
Beperk blootstelling door een goede werkorganisatie:
Bescherm de werknemer tegen beten:
Werkkledij en muggenwerende middelen zijn belangrijke individuele maatregelen, maar zijn geen persoonlijke beschermingsmiddelen in de strikte juridische betekenis van de codex.
Wanneer de risicoanalyse een gezondheidsrisico aantoont, moet de werkgever passend gezondheidstoezicht organiseren. De interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en de preventieadviseur-arbeidsarts helpen bepalen voor welke werknemers dit nodig is.
De preventieadviseur-arbeidsarts kan mogelijk blootgestelde werknemers gericht opvolgen en de werkgever adviseren over passende maatregelen. Daarbij wordt rekening gehouden met werknemers die door een aandoening, medicatie, zwangerschap, borstvoeding of een verminderde afweer mogelijk extra kwetsbaar zijn.
Ontwikkelt een werknemer klachten na een mogelijke blootstelling, dan is het belangrijk dit te melden aan de behandelende arts. Daarbij kan nuttige informatie worden gegeven over waar en wanneer de blootstelling plaatsvond, of er veel muggen aanwezig waren of meerdere muggenbeten werden opgelopen, en of er sprake was van verblijf in een gebied waar het westnijlvirus voorkomt of van contact met mogelijk besmet materiaal. Wanneer een werknemer getroffen is door een infectie of ziekte die mogelijk verband houdt met het werk, moet hij ook de arbeidsarts verwittigen.
De aanpak van het westnijlvirus vraagt samenwerking tussen volksgezondheid, diergezondheid, milieu en welzijn op het werk. De FOD Werkgelegenheid werkt samen met andere federale actoren en de gewesten aan een verdere aanpak, met specifieke aandacht voor werknemers. Sectoren en beroepsgroepen met mogelijk meer blootstelling worden daarbij gericht geïnformeerd.